woensdag 31 december 2014

Linnen [ˈlɪnə(n)]

Linnen in andere talen
Duits: Leinen            Engels: Linen          Spaans: Lenceria
Frans: Lin                 Deens: Linned         Papiamento:  paña di ilu 

De Latijnse naam voor linnen is ‘linum usitatissimum’.
Dit betekent: ‘het meest gebruikte linnen’.

             foto wiki.watmooi.nl

Linnen is de oudste van alle vezelplanten, die voor de vervaardiging van textiel wordt gebruikt.
Het is een natuurproduct waarvan alle delen van de vlasplant gebruikt kunnen worden.
Van de zaden maakt men olie (lijnzaadolie) voor verven en cosmetica.
Vlas is medisch van nut omdat de zaden vermalen kunnen worden tot een fijne bloem voor kompressen. En van de vezels draad kunnen worden gemaakt voor het hechten van wonden.
De bijproducten van de linnenproductie worden verwerkt tot een pulpmassa waarvan men bankbiljetten en vezelplaat maakt.
Maar primair is vlas natuurlijk bekend als de grondstof voor een bijzonder weefsel.
 
Smetteloos wit linnen was in het oude Egypte hèt symbool van goddelijke zuiverheid.
Zelfs de Egyptische mummies in de piramides waren in linnen ingewikkeld.
Tegen het einde van de vorige eeuw, werd het linnen verdrongen door katoen.
Ondanks de ontwikkelingen in de natuurlijke en chemische vezelindustrie speelt het echte linnen weer een belangrijke rol bij de mode van vandaag.
Maar om van vlas linnen te maken moet het heel wat bewerkingen ondergaan.Zaaien en bloeien
De vlasplant is een éénjarige plant, die wordt gezaaid in de maanden maart - juni en kan na drie maanden worden geoogst. Het wordt gewonnen uit 19-60 cm lange stelen.
Als vlas dicht bij elkaar wordt gezaaid, zullen de planten zich als het ware uitstrekken naar het licht van de zon. Zodoende worden de stengels lang en daarmee de vezels in de plant ook langer.
Er zal hierdoor meer linnen uit de plant te winnen zijn. Wanneer het vlaszaad verder uit elkaar gezaaid wordt blijven de planten kleiner en wordt er meer zaad gevormd.
Na het zaaien heeft het vlaszaad ongeveer 100 uur nodig om te ontkiemen.
En tussen het zaaien en de oogst in juli verstrijken amper 100 dagen.
De plant is eind juni volgroeid en kleurt dan goudgeel.
Daarna begint de bloei. Dit schouwspel duurt kort omdat elke vlasplant maar één dag bloeit.
’s Morgens vroeg gaan de bloempjes open en tegen de middag vallen de blaadjes alweer af.
De bloei van het vlas duurt een paar weken. Elke morgen opnieuw is dan een lichtblauw golvende zee van bloempjes te zien.

                                  foto Kigam-linnen.com
 Oogsten
Als het vlas rijp is, zijn in plaats van de bloemen kleine zaadbolletjes aan de stengels gekomen.
Het vlas is inmiddels bruin gekleurd.
Om het gewas maximaal te benutten wordt vlas niet gemaaid, maar met wortel en al geoogst.
Als het gemaaid zou worden, dan zou het onderste stukje van de stengel verloren gaan.
Ook in dit laatste stukje stengel zitten vezels. Dit oogsten gebeurde vroeger met de hand. Tegenwoordig wordt dit gedaan door mechanische rooimachines, maar nog altijd worden de planten met wortel en al geoogst.

Na het oogsten wordt het vlas met roggestro in bossen bij elkaar gebonden.
Als men bij het binden het vlas zelf zou gebruiken, zouden de zaadbollen van de stengels verloren kunnen gaan.


De bossen worden in hokken (kapellen) op het veld gezet om ze door de wind te laten drogen.
Na enkele weken, afhankelijk van het weer, is het vlas droog genoeg.
Het wordt op een kar geladen en op de boerderij in de schuur opgeslagen voor volgende bewerkingen.

                                   foto woltextapijten.com
Repelen
De eerste bewerking die het vlas nu moet ondergaan is het repelen.
Hierbij wordt het in kleine bosjes door een grove kam getrokken.
Bij deze bewerking vallen de droge zaadbollen van de stengel.
Na het repelen worden de bossen opnieuw met roggestro gebonden.


Na het repelen worden de zaadbollen verzameld om gedorst te worden als het vlas ligt te rotten.
Bij het dorsen wordt met een wan het kaf van het vlaszaad gescheiden. Het zaad wordt heel zorgvuldig bij een verzameld. Een deel van het zaad wordt bewaard als zaaigoed voor het volgende jaar, de rest wordt later naar de olieslagmolen gebracht om er lijnolie van te maken.
De schilletjes van de zaden die uit de oliemolen komen worden daarna samengeperst tot lijnkoeken, die dan weer aan het vee worden gevoerd.
De opbrengst aan zaadbollen bedraagt ongeveer 20% van de totale vlasoogst.
De helft bestaat uit zaad en de rest uit kaf. Vlaszaad bevat 37% olie.


Roten

Na het drogen moet het vlas worden blootgesteld aan vocht om de pectine af te breken
die de vezels bijeenhoudt. In het verleden rootte men het vlas in rivieren, of vennen.
Door het roten komt de ring met vezels, dicht onder bij de bast, los te liggen
van de harde, houtachtige kern van de plant.

Het roten gebeurde vroeger in vennen met stilstaand water.
De bossen vlas werden onder water tot een mijt opgebouwd.
Om te zorgen dat alles goed onder water bleef, werden bovenop de bossen stukken hout
of stenen gelegd. Een normale water-roting duurt precies drie weken.
Proefondervindelijk was in de loop van de eeuwen vastgesteld dat het rotingsproces na precies
een en twintig dagen en nachten zover gevorderd was dat de ring van vezels los was gekomen
van de binnen kern. Dit was het moment om het vlas uit het ven te halen en te drogen.
Vlas kan ook worden geroot door het uit te spreiden over het veld, waar het gedurende enkele
weken wordt blootgesteld aan regen, dauw en zonneschijn. Men sprak dan van ‘dauwroten’
omdat de roting gebeurde door de dauw die elke nacht het vlas nat maakte.


Voor de laatste bewerkingen moet het vlas weer gedroogd worden. Af en toe moet het daarbij omgekeerd worden om het droogproces te versnellen. Daarna wordt het met vers roggestro weer gebonden en in de schuur opgeslagen.
De vezels moeten nu worden losgemaakt van de houtachtige kern van de stengel.
Deze bewerking heet braken (breken). Het is dan eind september of begin oktober,
ongeveer honderd dagen na de oogst.


In een kuil wordt een vuur aangelegd. Dit vuur wordt zo gestookt dat het lang blijft nagloeien.
Op een paar houten stokken wordt het vlas boven het smeulende vuur uitgespreid.
Daarbij wordt in de gaten gehouden dat de stengels goed warm worden, maar niet verbranden.
Braken
Tijdens het braken worden de houtdelen van de plant meerdere keren tussen openstaande balken van de braak gebroken. De vezels zelf zijn zo buigzaam dat zij niet breken. De gebraakte bosjes vlas worden in elkaar gedraaid en in een zak bewaard.
Bij het braken was het grootste deel van de gebroken houtachtige stengels al tussen de vezels uitgevallen. Om ook de overige houtdeeltjes te verwijderen, legt men telkens een klein bosje vezels over de zwingelplank. Met de zwingel of het zogenaamde “zwaard” wordt dan een slaande beweging langs het bosje vlas gemaakt en slaat op deze manier de houtrestjes uit de vezels.



Het vlas wordt daarna nog met een kleine ijzeren kam (de hekel) gekamd. Korte vezels (de lokken) worden gebruikt voor het spinnen van touw en grove garens en pitten voor olielampen; de fijne, lange vezels (het lint) leveren uiteindelijk het fijnste linnengaren op.
De hekel bestaat uit een houten blok waarin een aantal ijzeren pennen bevestigd zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een grove, een middel en fijne hekel. Een klein bosje vlas wordt dan over de hekel gehaald. Op die manier kamt zij het vlas uit. Als de ene kant gehekeld is, draait zij het bosje vlas om en hekelt de andere kant. Van tijd tot tijd wordt de hekel schoongemaakt. De korte vezels die in de hekel achterblijven, worden ‘werk’ genoemd. De lange vezels blijven in haar hand achter en worden zorgvuldig samengebonden tot zogenaamde ‘popjes’.

Spinnen
Spinnen is het uitrekken van lange of korte vezels tot ‘lint’, dat in een bepaalde richting wordt
getwist om de vezels te verbinden. De linten worden vervolgens met de spinmachine tot garens
van verschillend gewicht en dikte gesponnen (getwijnd).
Fijne vezels worden ‘nat’ gesponnen, wat zorgt voor een glad en glanzend aspect.
De korte touwvezels worden ‘droog’ gesponnen, wat een minder regelmatig, pluizig garen oplevert.
Weven bleken en verven
Alvorens men tot weven overgaat, worden de garens gecontroleerd op stevigheid, gelijkmatigheid
en soepelheid. Na het weven wordt elke meter stof gecontroleerd en op kwaliteit getest.
Als het weefsel niet in zijn ruwe staat verwerkt wordt, gaat het naar de afwerkingsafdeling om een bleek- of verfproces te ondergaan. Het bleken van linnen vereist bijzondere vakkennis.
Enerzijds moet men voldoende chemicaliën gebruiken om alle pectineresten en bastdeeltjes te verwijderen, anderzijds mag dit proces niet de structuur van de vezels zelf aantasten.
Na het bleken of verven krijgt het linnen vaak nog een behandeling om het kreukvrij of onderhoudsvriendelijk te maken.

Tot slot

Linnen is fris, schoon en comfortabel. Het is zacht, maar tegelijk ook sterk en duurzaam.
Hoe vaker men het gebruikt, hoe zachter en sterker het wordt. Linnen kan
zo’n twintig procent van zijn droge gewicht opnemen zonder nat aan te voelen. Daarbij geeft het ook het vocht gemakkelijk af aan de lucht, zodat het fris en droog blijft aanvoelen. Een nadeel van linnen is dat het snel kreukt.
Om het kreukherstellend vermogen te vergroten wordt linnen vaak met andere vezels gemengd. Linnen heeft een geringe warmte isolatie heeft voelt de stof op een warme dag koel aan.


foto's ateliersteekjesenkruisjes.nl,deborduurvrouw.blogspot.nl
kunst4ierdereen.nl hetstoffenblog.blogspot.nl

 
 
 
Bron: oudesporen.nl Wikipedia, wasbaer.nl

 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen